‘Wat een stom hondje’
‘Wat een leuk hondje’. Dat zei ik tegen de vrouw die een teckel uitliet. Ik had dat gelezen op een poster van de Sire-campagne. Ik had gelezen dat je ‘wat een leuk hondje’ kon zeggen voor het maken van een praatje.
Nu had ik het geluk dat de vrouw ook daadwerkelijk een leuk hondje had. Je zult maar een praatje met iemand willen maken die geen leuk hondje heeft. Wat moet je dan zeggen!? ‘Wat een stom hondje.’ Dan heb je wel een praatje, maar geen leuk praatje. En dat is natuurlijk niet de bedoeling van de campagne ‘Een praatje maakt je dag’.
Al denk ik dat de opmerking ‘Wat een stom hondje’ iemands dag zeker zal maken. Zoiets vergeet die ander nooit meer. Zo’n vrouw komt even later thuis en wil karnemelk drinken met haar man. In plaats van haar zuivel zwijgend naar binnen te slurpen zegt ze plots: ‘Nou ja zeg, wat ik toch heb meegemaakt?!
Ik liep met Olliebollie over de Oelerweg en ineens zegt een wildvreemde vrouw tegen mij: ‘Wat een stom hondje’. Vanuit het niets. Ik was verbijsterd. Als Olliebollie nou haar dikke teen gegrepen had, was het logisch geweest. Of als hij tegen haar opgesprongen was om haar te trakteren op een speekselrijke lik over ’t hele gezicht, had ik het ook begrepen. Of als hij pontificaal tegen haar kuitbeen had lopen klateren, had ik het heus gesnapt.
Maar Olliebollie liep braaf naast me te dribbelen met die koddige pootjes van hem. Ik vind ook vaak iets stom. Hoog opgetrokken witte sokken in sandalen. Blootgestelde onderbenen vol spataderen, groezelige pigmentvlekken en andere onbeduidende bulten. Een bips die zo omvangrijk is dat het fietszadel erin lijkt te verdwijnen. Maar dan zeg ik niet: ‘Wat hebt u een stomme bips’. Ik hou me altijd in. Dat is beschaving. En nu krijg ik ineens naar mijn hoofd geslingerd dat ik een stom hondje heb. Dat slaat toch nergens op.’
Tot zover de optie van het stomme hondje. En dan heb je nog de situatie dat iemand überhaupt geen hondje bij zich heeft. Die situatie komt vrij vaak voor. De meeste mensen bij de apotheek hebben geen hondje mee. Dan kun je wel zeggen: ‘Wat een leuk hondje!’ Maar dat wordt dan een heel apart gesprek. ‘Welk hondje?’ ‘Oh, sorry, ik dacht dat u een hondje had.’ ‘Nee, dat is geen hondje. Dat is mijn zoontje.’
Bij gebrek aan hondje moet je dus zelf een praatje verzinnen. Gelukkig is het buiten heel droog. Dan kun je altijd zeggen ‘droog, hè?’ De kans is groot dat iemand hooguit de moeite doet z’n lippen naar voren te tuiten voor het woord ‘joa’. Maar als het daarna stilvalt, heb je geen praatje. Hooguit kun je nog zuchten: ‘’t is wat.’ Maar in Twente is de kans groot dat de ander dan reageert met ‘joa, joa.’