‘Woorden schieten tekort’ is te makkelijk, het enige woord dat me telkens overvalt is K*T!
Er moeten nieuwe woorden komen. Woorden om te geven aan mensen. Mensen die weten dat ze bijna doodgaan. Mensen met kanker. Mijn vriendin heeft kanker. Ze gaat gauw dood. Ze weet het een week. En ik heb de woorden niet. Er is alleen onthutsing en onmacht. Stampen kan je en roepen dat je dit niet wil. Maar de weg naar voren is keihard en de weg terug spoorloos verdwenen.
Ik denk aan haar. Aan haar vurige bos krullen. Aan de weelderige jurken rondom haar scheutige boezem. Aan haar ‘schuddebuiken’-lach. Foto’s genoeg. Maar ik zou haar lach willen inlijsten. Zo’n lach die alle zorgen breekt. Zo’n lach die humor een kroon op de kop zet. Ze heeft gedanst op tafels. Ze heeft gevierd, gevochten, gevrolijkt. Maar de dood krijgt te vroeg het laatste woord.
Lijf vol tranen
‘Sterkte’ zeg ik niet. Ze is sterk genoeg. ‘Liever nu geen bloemen, mensen,’ liet ze weten. ‘Denk aan het gif.’ Als iemand dit mag wensen, is het wel iemand met uitzaaiingen. Ik heb een fles biologische lavendel-massageolie op de bus gedaan. Alles voor een aaibare herfst. Zachte handen op een lijf vol tranen. Op het etiket van een andere fles las ik de tekst: ‘olie tegen huidveroudering’. Niet eerder vond ik de ‘tegen huidveroudering-terreur’ zo cru als nu. Oud mogen worden bestaat slechts bij gratie van rimpels.
‘Sterkte’ is een overschat begrip. ‘Zwakte’ klinkt onaardig. Maar je zou willen zeggen: ‘Huil maar, lieverd. Val maar. Wees maar klein. We rapen je op en lijmen je heel. Zolang als het gaat. Tot de stukjes niet meer plakken.’ Ze zal het aankondigen: ‘Dit was het dan, lieve mensen.’ Aan dat moment wil niemand denken. Haar lach is te gul om te gaan. Haar blos te rood. Haar twinkeling te gretig.
Er moeten nieuwe woorden komen. ‘Woorden schieten tekort’ is te makkelijk. Dat staat zo anoniem op een voorbedrukte rouwkaart in het rekje bij de Bruna. Het enige woord dat me telkens overvalt, is K*T! En dan hardop en honderd keer. Als uitroep van afschuw. Maar je geeft een zieke liever de troost van poëzie.
Onverteerbaar
Het is onverteerbaar. Voor ons. Voor haar. Te weten dat september je laatste herfst zal zijn. Nog één keer de bladeren te zien vallen in het geeloranje in je tuin. En je verwonderd weten. Beseffen dat je iets voor het laatst ziet, is een beetje alsof je het voor eerst ziet. Het einde van augustus vangen in de zachte avondzon. Ik zie haar zitten, nippend aan de schoonheid van de Friese horizon. Blote voeten in het gras. Ik hoop dat ze niet bang is. Ik hoop dat er een hand op haar schouder ligt van iets groters dan wij. Ik weet dat zij daarin gelooft.
Toe, blijf nog even! Dan proosten we op wat ons rest. We kijken elkaar aan. Voor de laatste keer. Zonder woorden. Op de liefde.