Uit de kist
Het zijn altijd de relschoppers die het verpesten voor degenen die het goed bedoelen. Wat dat betreft zijn Kees van der Staay en consorten de hooligans onder de Christenen. Het doelwit was geen bushokje, maar de seksuele identiteit. Ze hebben het hele land getoond hoe verderfelijk het fanatiek aanhangen van een geloofsleer kan zijn. Een slecht visitekaartje voor de religie. Ik had nog een greintje God in m’n donder. Maar na de Nashvilleverklaring kreeg ik sterk de behoefte om mij voorgoed onder de atheïsten te scharen. Klaar met alles waar kerk aan kleeft.
Gelukkig was het ganse land in volle verontwaardiging. ‘Blijf met je bekrompen tengels af van de waardigheid van onze homo’s.’ Dat is de hele week al mijn gedachte. Verder bespeur ik in het hart van mijn woede een aantal anale verwensingen, maar die hoeven hier niet uitgelaten te worden.
Op de jongerensite refoweb.nl las ik dit: ‘Ik ben 16 jaar en homoseksueel. Ik kan me er niet tegen verzetten. Ik zou het graag willen, maar elke avond gaat het mis met mijn gedachten, enzovoort. Ik heb er nooit met iemand over gepraat en doe dit liever ook niet. Als ik tot God bid of Hij me wil bewaren denk ik soms dat ik mezelf kan weerhouden. Maar een paar uur later (soms nog geen halve minuut) bezwijk ik weer. Wat nu?’
Hem wordt o.a. aangeraden om iemand te bellen zodat ze samen kunnen bidden tegen deze verleiding. Een advies om van te vloeken.
Daar waar ik iedere homo of lesbo een komst uit de kast gun, gun ik Kees en consorten een komst uit de kist. Leven met de overtuiging dat ieder mens een zondaar is en alleen bevrijd kan worden uit dit kwaad als hij of zij kiest voor het volgen van Gods woord, haalt toch elke sprankeling uit de schaamstreek. Juist daar waar het ware leven begint. God mag best zien dat het goed was. Maar ook voor hem gaan, als ik het tweepersoonsbed gereed maak voor de nacht, de gordijntjes dicht. Of zoals een Tukker zou zeggen: ‘Ik hoof ‘m d’r nich bie te hebb’n.’
Ik heb mij, opgevoed als katholiek kind, mijn hele leven moeten verhouden tot het fenomeen ‘goed mens moeten zijn’. Dit is de lichte variant op het begrip zondaar. Nog steeds word ik gekweld door schuldgevoelens als ik niet voldoe aan het goede. Te laat, te lui, te bang, te hebberig. Langzamerhand accepteer ik dat ik onvermogend ben. En dat dat goed genoeg is. Al lukt me dit zelden. Gods beeld kan funest zijn voor het zelfbeeld. Ik ben toch zeker God niet.
‘Blijf met je bekrompen tengels af van de waardigheid van homo’s’. Het kan niet vaak genoeg herhaald worden. Met dat greintje God in mij steek ik geen kaars, maar een regenboog op. Lesbo, homo, bi, laat je niet kasten! Elke uiting van liefde is nodig in de wereld.